Binnen de Taskforce Infra werken Rijkswaterstaat en marktpartijen daarom samen aan een aanpak die beter aansluit bij die onzekerheden. Door eerder samen te kijken naar aannames, risico’s en herhaalbaarheid ontstaat ruimte voor een werkwijze waarin opdrachtgever en opdrachtnemer stap voor stap toewerken naar een realistische prijs.
Volgens Bernard Westeneng, contractmanager Vernieuwingsopgave Bruggen bij Rijkswaterstaat, begint dat bij anders organiseren. “We hebben te maken met een grote opgave waarin een belangrijk deel van de activiteiten steeds terugkomen. Dan is het logisch om niet langer per object te werken, maar te kijken naar portfolio’s van vergelijkbare objecten.” Door objecten te bundelen, ontstaat ruimte om met vaste teams te werken. “We maken als het ware een treintje”, zegt Westeneng. “Wat we leren bij het eerste object, nemen we mee naar het volgende.” Dat helpt om verder te kijken dan de waan van de dag en is een goede basis voor standaardisatie. “Het uitgangspunt daarbij is: hetzelfde, tenzij.”
Prijsvorming die meebeweegt
De portfolio-aanpak heeft gevolgen voor de manier waarop prijzen tot stand komen. Zeker bij renovatie en vervanging is niet alles vooraf te overzien. “Op dag één kun je niet alles tot in detail inschatten,” zegt Westeneng. “Dat betekent dat je op basis van de beschikbare informatie aannames moet doen, terwijl de prijsvorming nog niet volledig rond kan zijn.”
Om beter met onzekerheid om te gaan, kiest Rijkswaterstaat voor getrapte prijsvorming. Aannames worden vooraf expliciet vastgelegd, op basis van areaaldata en geldende normen. “Als er vooraf al een prijs kan worden bepaald, is dat prima,” legt Westeneng uit. “Maar voor andere onderdelen is het verstandig om eerst aanvullend onderzoek te doen.” Cruciaal is dat deze aannames al vóór de aanbesteding gezamenlijk worden besproken en vastgelegd. “Zo ontstaat begrip over wat vastligt en waar ruimte nodig is.”
Van aannames naar aangepaste prijs
Getrapte prijsvorming betekent dat prijsafspraken kunnen veranderen als de situatie verandert. Menno van der Ploeg, directeur projecten bij Boskalis, geeft een concreet voorbeeld. “Als vooraf de aanname is dat asfalt overdag kan worden aangebracht, hoort daar een bepaalde prijs bij. Blijkt in de praktijk dat dit alleen ’s nachts en in het weekend kan, dan verandert de situatie en dus ook de prijs.” Doordat de uitgangspunten vooraf zijn vastgelegd, ontstaat daarover minder discussie. “Je grijpt samen terug op de aannames,” zegt Van der Ploeg. “Dan gaat het niet om gelijk krijgen, maar om wat er is veranderd. En hoe we samen de volgende stap zetten.”
Impact op de markt
Voor de markt is voorspelbaarheid belangrijk, geeft Van der Ploeg aan. “Wij hebben behoefte aan een betrouwbare dealflow. Dat maakt het mogelijk om te investeren in mensen en materieel.” Portfolio’s helpen daarbij, omdat ze inzicht geven in de omvang en aantallen projecten. Van der Ploeg maakt onderscheid tussen twee niveaus. “De dealflow is macroniveau en biedt overzicht en inzicht in de continuïteit. Het contract (microniveau) gaat over de invulling per project.” Door meerdere objecten in één keer aan te besteden, kunnen transactiekosten omlaag. “Een gelijktijdige tender voor vier of vijf objecten kan tot 50 procent kostenreductie opleveren.” Bij grote onzekerheden past volgens hem geen traditionele contractvorm. “Daarom is het logisch om binnen de vernieuwingsopgave te werken met een zogenaamde raamovereenkomst-contractvorm (ROK) die het portfolio omvat en ruimte biedt om samen te leren en bij te sturen.”
Samenwerken met open vizier
Deze manier van werken vraagt om meer openheid. Dat is spannend, maar wel nodig en heeft ook invloed op de samenwerking. “Je benut elkaars kennis beter en werkt met kortere lijnen, vergelijkbaar met een bouwteam”, benadrukt Van der Ploeg. Westeneng ziet daarin een cultuuromslag. “We maken de stap naar meer standaardisatie. Dat betekent steeds opnieuw de vraag stellen: wat is terugkerend en wat is echt uniek?”
Project Maasobjecten als proeftuin
De principes van de portfoliobenadering en getrapte prijsvorming worden inmiddels concreet toegepast. Het tweede project volgens deze aanpak, project Bediening en Besturing Maasobjecten (MB2.0) voor sluizen en stuwen in de Maas, is in voorbereiding. Binnen dit project wordt gewerkt met een groep vergelijkbare objecten en wordt gekeken hoe aannames, onzekerheden en prijsafspraken stap voor stap kunnen worden uitgewerkt.
“De principes zijn duidelijk,” zegt Westeneng. “Nu gaat het om verfijnen en leerervaringen opdoen.” Van der Ploeg vult aan: “De echte winst zit in de toepassing in projecten. Afspraken op papier zijn belangrijk, maar doorslaggevend is wat er in de praktijk gebeurt. We zien graag dat er meer ROK’s in deze vorm naar de markt komen. Het is nu nog te beperkt” Westereng zegt tot slot. “De vernieuwingsopgave vraagt om tempo en op deze manier pakken we dat samen slim aan.”
Taskforce Infra
De Taskforce Infra (TFI) is het samenwerkingsplatform waar Rijkswaterstaat, Bouwend Nederland, Techniek Nederland, NLingenieurs, MKB Infra, Cumela en de Vereniging van Waterbouwers in een open dialoog samen werken aan concrete en doelgerichte oplossingen die bijdragen aan het verhogen van de productiviteit voor de instandhoudingsopgave. De TFI bestaat uit themagroepen en het Platform VenR waarin inzichten, informatie en kennis op een open en transparante manier worden gedeeld. Het is daarmee een voorbeeld voor de nieuwe manier van samenwerken die nodig is om de grote opgave waar de infrasector voor staat aan te kunnen. Meer weten over de Taskforce Infra? Ga dan naar www.taskforceinfra.nl.